De Letterzetter stelt zich voor 1: taal

640px-pieter_bruegel_the_elder_-_the_tower_of_babel_vienna_-_google_art_project_-_edited

Taalpurisme versus taal als natuurlijk systeem

Vanaf mijn studie moderne Nederlandse taalkunde (1997-2002) heb ik een aversie voor taalpurisme ontwikkeld. Dat mag misschien vreemd klinken voor een taalkundige, maar dat is het juist niet. Iedereen die zich verdiept in de taal als (min of meer) natuurlijk verschijnsel, weet dat een taal organisch gegroeid is en zich steeds blijft veranderen, en dat de taal zich weinig aantrekt van opgelegde regels. Veel van wat wij op dit moment als ‘goed’ taalgebruik beschouwen, was vroeger wellicht erg lelijk en fout en zal dat in de toekomst ook zijn. Zo werd in de zestiende eeuw ‘groter als’ gezien als juist taalgebruik en ‘groter dan’ als onjuist.

Maar wees niet bang: als redacteur moet ik natuurlijk de huidige taalregels en spelling kennen en snappen, en in die hoedanigheid volg ik deze ook op, aangezien een opdrachtgever dat van mij verwacht. Bovendien zijn sommige regels ook goed bedoeld, en werken vaak goed, om verwarring bij het lezen te voorkomen. Denk aan het verschil tussen ‘het vóórkomen van ongelukken’ en ‘het voorkómen van ongelukken’ waarbij in dit geval een nadrukteken aan te raden is om de juiste betekenis aan te geven. Maar uiteindelijk is de taal een organisch, primair mondeling communicatiemiddel – en als de communicatie slaagt, is de gebruikte taal blijkbaar voldoende, los van alle later bedachte regeltjes.

Taalverloedering versus taalachterstand

‘Taalverloedering’ komt in mijn eigen vocabulaire niet voor, ‘taalachterstand’ wel. Het verschil tussen die twee is dat het bij het eerste om een vermeende esthetische achteruitgang gaat. Uit wat ik hierboven heb geschreven, mag duidelijk zijn dat ik daar geen boodschap aan heb. Wanneer slecht onderwijs er echter toe leidt dat mensen teksten produceren die niet meer leesbaar zijn (bijvoorbeeld door bizarre spelling, onjuiste grammatica of door een totaal onlogische opbouw en argumentatiestructuur), dan is er sprake van een communicatief probleem.

In deze tijd vormt taalachterstand een groot probleem. Dat ligt niet aan de onderwijzers zelf of aan de digitale revolutie. Uit onderzoeken blijkt dat bijvoorbeeld sms-taal – naast goed onderwijs – juist een verrijkende werking heeft op het taalgevoel. Ook een samenleving waarin meerdere talen (al dan niet thuis) worden gesproken, werkt positief op de taalvaardigheid. De oorzaak ligt deels in een politiek falen, een door bezuinigingen en minachting ontstane afbraak van zowel sociaal-culturele participatie als de afbraak van een goed onderwijssysteem. In het onderzoek dat heeft geleid tot de goedwerkende schrijfonderwijsmethode Tekster blijkt tevens dat er veel te winnen valt door de verouderde taallessen te moderniseren. Dit kan door het verwerken van de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van taaleducatie in de methoden. Bij Tekster zelf gaat het om schrijfeducatie, maar dat houdt niet in dat (beter) leren lezen en spellen niet belangrijk zouden zijn; deze methode focust op een verbetering van tekstuele communicatie, waarbij zaken als tekststructuur en logica meestal  belangrijker zijn dan bijvoorbeeld spelling. Interpunctie wordt in het onderzoek ook als een ‘aspect van lagere orde’ gezien, maar met name punten en komma’s zijn wel zeer belangrijk bij het structureren en begrijpelijk maken van alinea’s en zinnen.

Als redacteur probeer ik bij te dragen aan de verbetering van taalgebruik door niet alleen teksten aan te passen, maar ook altijd aan te geven wáárom de eerdere versie minder goed was, zéker als het gaat om fouten die de communicatieve functie van de tekst schaden, bijvoorbeeld omdat er iets anders staat dan wat de auteur bedoelt. Ik probeer ook communicatie van tevoren in te plannen (wat wil de opdrachtgever met de tekst bereiken, om welke doelgroep gaat het, et cetera), omdat dit bijdraagt tot betere (functionele) teksten.

Spelling

De officiële spelling kan altijd beter, maar ik vind het een juiste keuze dat het overgrote deel van de spelling goed onderbouwd is. Dit kan leiden tot keuzevormen (‘maïs’ naast ‘mais’, afhankelijk van hoe je het zelf uitspreekt – m.n. in België zegt men ‘ma-ies’) of tot vormen die voor veel mensen als lelijk worden beschouwd. Bij ‘lelijke’ woorden gaat het meestal om onlangs geleende Engelse woorden die wél in een, daarvoor minder geschikte, Nederlandse grammaticale mal terecht komen (bv. ‘ik heb de app geüpdatet’).

Mensen willen graag een eenduidig spellingsysteem en dat zorgt er nu eenmaal ook voor dat voor ons vreemd ogende spellingsvormen ontstaan. De spellingsautoriteiten tonen eigenlijk alleen moed als ze spellingsvormen hanteren die voor veel mensen ‘lelijk’ zijn. ‘Mooie’ spelling is niet meetbaar en zou neerkomen op een totaal ondoorzichtig systeem en vele vormen naast elkaar – en dat is niet wat mensen van een goede spelling verwachten. Makkelijke spellingregels én het behouden van ‘mooie’ woorden, gaan simpelweg niet samen. Maar de ervaring leert dat mensen snel aan nieuwe woordbeelden gewend zijn. Daarbij ben ik ervan overtuigd dat ook de Nederlandse grammatica zal ‘verengelsen’ waardoor Engelse woordvormen beter passen. Dat is niet erg, dat is gewoon taalevolutie. Een mooi voorbeeld in de spreektaal is te zien in dit youtubefilmpje van Marc van Oostendorp (vanaf 2:06).

Nogmaals: de makers van de officiële spelling zitten dus in een spagaat. Zij proberen niet te veel woordvormen te veranderen (anders vinden de mensen de spelling ‘lelijk’) en tegelijkertijd heldere en consequente spellingregels op te stellen (anders vinden de mensen de spelling ‘moeilijk’). Daarbij moeten ze ook in de pas blijven met moderne taalontwikkelingen, zoals de invloed van het Engels en het feit dat spreek- en schrijftaal steeds meer naar elkaar toe groeien in de digitale omgeving. Zij kiezen begrijpelijkerwijs voor een praktisch onmogelijke middenweg, wat begrijpelijkerwijs altijd zal blijven leiden tot kritiek van zowel taalpuristen als taalkundigen. Het zij zo.

Mijn taalkundige bijdragen

Het is alweer wat jaren geleden, maar ik ben destijds afgestudeerd – voor wie het graag weten wil – op  het onderwerp ‘lexicale collocaties’. Hier staat uitgelegd wat dat inhoudt. Daarbij ging het om de Melcukiaanse theorie dusdanig uit te breiden en aan te passen, dat het gebruikt kon worden voor beter functionerende woordenboeken.

In de praktijk heeft dit geleid tot bepaalde aanpassingen en aanvullingen in het meer wetenschappelijk bedoelde Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW). Daarnaast heb ik als studentassistent meegewerkt aan het eveneens voor wetenschappelijke doeleinden bedoelde Corpus Gesproken Nederlands (CGN).

Weer jaren later heb ik mijn taalkundige kennis ingezet voor het ontwikkelen van de toenmalige cursussen Taalkunde van het Nederlands en Schoolgrammatica van de Open Universiteit.

Thans ben ik niet met een taalkundige opdracht of taalkundig project bezig. Maar als ik denk dat ik een goede bijdrage kan leveren op een taaldiscussie op internet (fora, LinkedIn, Facebook…) zal ik dat niet nalaten. In veel gevallen komt dat neer op: ‘vanuit de taalkunde gezien zijn beide keuzes goed’ met soms een nuancering betreffende de consensus op dit moment.

Daarnaast probeer ik mensen ook bewust te maken van de maatschappelijke werking van taal. Het is mijns inziens belangrijk dat mensen zich realiseren dat de taal geen bewust door mensen gemaakt systeem is, maar een evoluerend, organisch geheel. Tegelijkertijd kunnen in bepaalde gevallen spelling, (school)grammatica en andere opgelegde systemen wel zorgen voor een betere communicatie. Maar wat door taalpuristen als ‘juiste taal’ wordt beschouwd, kan worden misbruikt als middel om zich af te zetten tegen vermeende ‘taalverloederaars’. Dit kan leiden tot discriminatie en sociale isolatie van groepen en individuen die simpelweg niet de middelen hebben om de Nederlandse taal te leren volgens de normen van taalpuristen. En het kan leiden tot oneerlijke bejegening van jongeren, die op dit moment het slachtoffer zijn van ondermaatse educatie. Dat de ‘taalverloederden’, de ‘hun-hebben’zeggers, niet per se taalonvaardig zijn, mag wel blijken uit de zeer creatieve taalvondsten in de nederhop.

De functie van taal

Hiervoor ben ik steeds ingegaan op de communicatieve functie van de taal. Goede taal betekent dan goede communicatie, wat veel narigheid kan voorkomen. Maar taal is meer: het is ook voor boeken wat de verf is voor schilderkunst en muziekinstrumenten voor de muziek. Taal zorgt ook voor vermaak. En via dit vermaak wellicht ook weer tot mooie inzichten en bewustwording. Hier heb ik het over taal als cultureel instrument, en dat is waar ik verder ga in de volgende artikelen: over lezen, en over schrijven en denken.